Ik ben onsterfelijk. Dat wordt nog wel eens vergeten. Men kan om mij lachen en mij bespotten, zelfs onwetend zijn van mijn wezen. Maar ik blijf bestaan.
Ik ben geen vrouw van vlees en bloed. Een lichaam heb ik allang niet meer. Die had ik enkel in de gloriedagen der goden, toen men mij aanbad en me met verhalen gestalte gaf. Maar ik ben er altijd in mijn functie. Ik jaag de dood in en help nieuw leven uit het kraambed.
Noem me Agrotera, godin der jagers. Noem me Artume, god van nacht en de doden. Noem me Kourothropos, de voedster van de jeugd, of Locheia, geboortehulp en verlosser. Noem me Kallisto, de mooiste. Noem me desnoods de 'luidruchtige' zoals Homerus deed. De overleveringen maakten me godin van de jacht, het woud, de wilde dieren. Soms godin van de vruchtbaarheid en van de maan.
Als jullie me kennen, stervelingen, is het als de kuise godin die mannen versmaadde en zich terugtrok in de vergetelheid van haar bossen. Welke verhalen zijn er van me bewaard gebleven, welke functie kunnen jullie me toeschrijven, jullie gebrekkige kenners van de zo diepe geheimen uit het oude godenrijk? Degenen die me nodig hadden hebben begrepen wie ik ben en waar ik voor sta. Maar zoveel mensen kijken over me heen als een van de minder belangrijke goden. Er is weinig van me overgebleven in jullie vele verhalen uit de oudheid. En dat is zeker begrijpelijk. Tenslotte waren schrijvers altijd mannen.
Maar nu zal ik jullie vertellen wie ik ben. Nu zullen jullie weten waarom ik net zomin kan sterven als Zeus, de Heerser en Slaaf, Athene, de Wijsheid en Waanzin, Poseidon, de Hoop en Angst. Ik zit net zo verweven in jullie menszijn als zij, ik ben deel van jullie. Stil, sterfelijken. Luister, mijn moeders, zusters en dochters van zowel vrouwelijk als mannelijk geslacht.
Artemis spreekt.
Hij jaagt haar op, de woedende, machteloze man. Lust heeft hem gevangen. Pure lust en daarnaast pure wraak. Hij denkt iedereen te kunnen beminnen die hem bevalt, man, vrouw, god, mens. Een verlies als deze kan hij niet verkroppen. Een vrouw verliezen als deze vrouw, vrouw der vrouwen, nimf der nimfen, aan iemand als ik heeft hij nooit kunnen verwerken. Er was maar één manier om zichzelf te wreken, trotse, woeste Apollo. Dat was haar te nemen. Haar te nemen in mijn woud, haar aan zich te binden waar ik zijn trots de grond in had geboord. Ik was er niet om haar te helpen. Ik was er niet om het onrecht te voorkomen. Ik weet dat het slechts haar onwankelbare trouw en liefde aan mij is geweest die de woeste verkrachting en ontering wist te doen voorkomen. Alleen als de liefde de kracht van ons goden te boven gaat, als de liefde gemaakt is van aarde en bloed zoals uit oeroude magien van vóór ons, alleen dan kan een wens als deze uitkomen. Zij was goddelijker dan ik ooit zou kunnen zijn. Ik ben een godin. Zij was een laurierboom.
Ik strek me loom uit na het bad van de middag. Het is al weer twee uur geweest, het hert dat als avondmaaltijd zal dienen is al opgejaagd en verslagen. Het bloed en zweet van mijn eenzame jacht is van me afgespoeld in het liefelijke riviertje, dezelfde waarin Zeus mijn moeder ooit verleidde. Bijna twintig nimfen omringen me nu, druk pratend en lachend met zilveren stemmetjes, dunne enkeltjes in het water, gladde lichamen, snel bij elkaar gebonden haren.
Een grote adelaar vliegt tergend langzaam over het bos. Ik tast naar mijn pijlen en pijlenkoker en leg aan. Een schreeuw verscheurt de stilte, een verenbos valt machteloos naar beneden, verandert dan halverwege in een klein musje en landt alsnog waardig.
'Je weet dat ik je liever hier niet heb'. De nimfen zijn opvallend stil geworden en kijken met angstige ogen naar de mus die prompt verandert in een statige man. 'Ik hoef geen rekenschap af te leggen van al mijn daden, onthoudt dat'.
Apollo trekt zich niets aan van mijn bezwaren. Zijn ogen gaan goedkeurend langs de nimfen, maar hij bekijkt ze niet met lust maar met een zekere verering. Daarom eis ik hem niet om weg te gaan, geef alleen met een armzwaai aan dat de meisjes kunnen vertrekken. Als hinden vluchten ze het bos in, alle kanten op, worden één met de bomen en de rivieren.
Hij gaat zitten aan mijn voeten. Zijn bewegingen zijn sierlijk en zelfverzekerd. Alles aan hem is poëzie, denk ik, en even heb ik een hekel aan hem. Dan verzwakt de aanval van misselijkheid weer. Apollo kijkt naar zijn schoenen om geen blik op mijn naaktheid te hoeven werpen.
'Zeus is ontstemt' zegt Apollo. Ik snuif minachtend. 'Die epidemie... ik bedoel, was dat echt wel nodig?' 'Ja.' Antwoord ik. 'Maar zusje, Zeus houdt van Kreta.' Hij houdt abrupt zijn mond als ik woedend opstuif. Ik zegt niets, maar lijk omringt met een angstaanjagende koelheid en dwing hem naar beneden te kijken, langs mijn lichaam naar de grond. Hij huivert van afschuw. 'Kwam je daarvoor helemaal hierheen? Zeus kan altijd Hermes sturen.' Zeg ik op een ijzige toon. Apollo trekt zijn schouders op en zucht. 'Nou eigenlijk... er is een meisje.'
Ik zucht van begrip en toegeving, laat mijn ijzeren masker varen. 'Ah broertje, waarom kan je het gewoon niet bij je mannen houden?'
'Het is één van jouw meisjes' vervolgt Apollo alsof hij me niet gehoord heeft. 'Ze heeft koperrood haar en een groene jurk... en Artie, ik kan toch niet...hoe kan ik haar vergeten?' de tranen staan in zijn mooie amandelogen. Maar ik ben niet geroerd. Apollo's tranen zijn als zijn woorden, ze vloeien te vaak, en veel te snel. 'Lieve broer, Daphne is niet van mij. Hoe kan ik haar vragen naar jou te gaan? Besef je niet dat mijn vrouwen zelf beslissen of ze de vrijheid kiezen of het huwelijk?' Apollo zegt langzaam, bijna aarzelend 'Maar jij bezit het geheim tot het hart van de vrouwen. Jij weet wat ze zijn van binnen. Jij begrijpt ze. Jíj begrijpt ze' Apollo lijkt in gedachte verzonken. Ik schud meelevend en toch ongeduldig mijn hoofd. 'Apollo, kijk naar me. Nee kijk! Mijn lichaam, mijn naaktheid, zie het aan'. Maar Apollo wendt haastig zijn hoofd af. 'Dan niet, zuster.' zegt hij bitter. 'Dan niet.'
In zijn ogen zie ik een onverbiddelijke haat. Hij zal niet wachten totdat hij me hiervoor gestraft heeft. Ik zucht verdrietig. Als één man het begrepen zou kunnen hebben was hij het wel. Hij die nauwelijks boog voor Aphrodite's lust, veel liever de echte, zij het niet altijd vleselijke, liefde achterna ging. Nu verdwijnt hij met wrok in zijn hart.
Mijn meisjes komen langzaam aan terug. Vrouwenschimmen. Feeën van het woud. Waterwezentjes. En tenslotte mijn nimfen. Jeugdig en schoon, opgetogen en vrolijk. De mooiste vrouwen van deze aarde, de vrouwen met de meest heldere zielen, de meest onschuldige gedachten. En ik kan het weten. Ik ben de enige van de goden die vrouwen begrijpt. Niet slechts hun machtszucht en hun wraak, hun jaloezie en geilheid. Ik ben verzonnen door vrouwen, gemaakt door vrouwen en geloofd door vrouwen. Mijn lichaam is hun hart.
De laatste van mijn nimfen die arriveert is Daphne. Ik slaak een zucht van opluchting. Het gebeurt wel eens dat een man één van mijn vrouwen verwond als ze in hindenvermomming is. Mannen lezen geen harten. Kunnen zij het verschil niet zien tussen hert en mens? Kunnen zij werkelijk iets proberen de dood in te jagen dat zo goed en zo puur is? Mijn toorn is verschrikkelijk als een man zo'n gruweldaad begaat. Ik laat ze lijden zoals zij hun vrouwen laten lijden, ik verstrik ze in een val waar geen uitweg meer uit is. Het is nooit mijn keuze die ze maken. Ze schieten hun eigen bevelhebber af uit vrije wil. Ze offeren hun eigen dochter omdat ze te zwak zijn tegen het leger in te gaan - of tegen mij. 'hallo' zingt Daphne's stem al van verre. Uitgelaten werpt ze haar roodblonde krullen achter haar oren. Haar helderblauwe ogen kijken naar mij. 'Hallo Daphne' zeg ik waardig. 'Mijn broer was hier voor jou. Hij begeert je.' Misschien heeft hij haar zelfs werkelijk lief, ik weet het niet. Ze spreidt haar ogen wijd open. Dan bloost ze een beetje. Misschien kan Daphne Apollo ook liefhebben. Misschien. Het is niet aan mij om te beslissen over het pad dat mijn vrouwen volgen. Het is niet aan mij te beslissen of ze vrijheid verkiezen, of huwelijk. Of mij. Dus ik wacht af.
En terwijl ik wacht valt de nacht. En stijgt mijn onzekerheid. Wij goden zijn niet onontvankelijk voor menselijke fouten, begrijp je. We zijn gecreëerd door mensen, dus kennen ook al hun emoties, hun haat en nijd, hun lust en geluk. En we kennen verliefdheid. Van het soort dat je overvalt bij de eerste blik op iemand. Dat je achtervolgt door diepe dalen en hoge bergen, dat zich schuilhoudt in je ooghoek, in elke toevallige voorbijganger, in de manier waarop die loopt of de ander kijkt. Dat je doet lachen zonder reden, dat je door de knieën kan laten zakken, dat je kan laten zinken van geluk. Wij goden willen ook onze hoofd op een schoot leggen. Wij goden zouden ook onze onsterfelijkheid willen afleggen en ter plekke sterven voor slechts een aanraking, de lichtste der aanrakingen, van de lippen van de ander.
Als ik me ten ruste leg, mijn hoofd op mijn armen, voel ik haar tegen mijn lichaam aanglijden. Misschien kan ze met Apollo zijn, als ze nooit geweten had wat het was mij lief te hebben. Ik zie het aan de blankheid van haar huid. Ik ruik het aan de wildheid van haar haren. Daphne zal me nooit kunnen verlaten. Zelfs voor vrouwen uit de familie van Zeus bestaan er gelukkige relaties. Vooral wanneer er geen man is die zich er mee bemoeit.
Zelfs voor Romeinse vrouwen en mannen bestaat er levensgeluk. Zolang ik er ben om over hun harten te waken en wegen te scheppen voor de paden van de liefde. Venus mag de godin van lust zijn. Ik ben de godin van liefde. En Daphne behoort mijn liefde toe.
's Morgens, als ik mijn ogen nog niet openen kan en ik gluren moet door mijn tegenwerkende wimpers, is het mogelijk te denken dat ze er nog is. Dat één van de blauwachtige schimmen die ik in aan het meer ontwaar ook werkelijk haar is, zoals ze was in haar ochtenden met mij. Zo blauwgrijs omdat er nog geen licht was, haar warme huid zich uitstrekkend naar mijn zoekende vingers. Vaak gaapte ze en krulde zich op haar zij, het hoofd diep onder de dekens om niet wakker te hoeven worden, nog net die glimlach van tevredenheid om de mond. Een glimlach die ik vóór haar slechts kende van pasgeboren baby's. Een glimlach van compleet vertrouwen, van uiterste overgave. Dan gleed ik tegen haar aan, haar warmte in, onze benen en armen onontwarbaar in kluwen. En we sliepen tot de verplichtingen verleden tijd waren. Tot de dageraad haar prachtige gezicht in volle glorie vertoonde, tot zonnestralen kriebelden in haar roodkrullende haar, knabbelden aan haar oren en bezitterig afgleden langs haar lippen. Tot het weer mogelijk was te onderscheiden wat haar lichaam was en wat het mijne, omdat het licht onze lichamen blootgaf.
Elke dag zal ik moeten rouwen. Apollo heeft zijn wraak gekregen. Maar ik bezit het vrouwenhart. Geen god heeft ooit gedurfd te kijken, elke man die het zag stierf door zijn wetenschap. Ooit zal Daphne's hart opnieuw geboren worden. En dan ben ik degene die het lezen kan.
Laatste reacties