Ik mis de geur tussen je schouders, die zo speels je nek induikt en zich in je veel te wilde haar vervlecht. Een geur van warmte en licht, van levend zijn, van hooi en rook en dartele veulens in de wei. De enige plek waar mijn neus zich bevinden moet in onze nachten, precies daar waar de geur van jouw thuiszijn mij bedwelmt. Hele dagen kan ik weg zijn, de dagen vergaan ook zonder je. Maar alle nachten kruipen. De resten van vergane uren hangen in de lucht als zwart teer waar geen gedachte een doorgang meer vindt. Dus sta ik op om je alles te vertellen. Ik fluister naar je, zacht, teder, wanhopig, alleen. al mijn woorden behoren jou toe.

                                                                                                         

12 juni 2008

Blog

Voor de lezers die ook dagelijkse dingen van me willen lezen, en niet alleen verhalen en gedichten:

http://kanttekening.web-log.nl/

23 mei 2008

Het was maar

een verlangen,

een kans, misschien,

of niet eens dat.


Dat de dag begon

en je in mijn armen

zou zijn, nergens anders

dan in mijn hart.


Dat was goed.

Die belofte van jou

de fluistering

vóór ik je had.



Nu is zelfs geen

mogelijkheid meer.

Geen enkele kans,

geen laatste keer.

Geen vluchtige kus op mijn wang.


Wat is er over,

wat blijft mij dan?

Deze zomer duurt nog zo

achterlijk lang.


Jouw naam

met scherpe tanden

in mijn huid gebeten.

22 februari 2008

columns

Ik schrijf tegenwoordig ook columns voor de expreszo...

http://www.expreszo.nl/content/columns/anne/

5 oktober 2007

Blijf nog even

er is geen licht

zolang ik mijn ogen

gesloten hou


daar zingt de maan

met stille tonen

over een dag die ik

nooit breken zal


ik voel je hand,

zo mild dwingend,

je strenge benen

vedrijven de mijne


toe, wacht nog wat, 

streel me zacht,

tot de vogels weer

zullen verdwijnen,


en adem me toe

dat deze morgen

voor jou, mijn lief,

geen treinen rijden

3 oktober 2007

je wast af,

met schoon zeepzop

over geelgrauwe randen,

je handen rimpelen

het water in,

breken het vuil aan stukken


je boent hard langs de

vaste korsten tot

je je weer spiegelen kan

en gezuiverd droog

je je handen dan

met een wegwerpgebaar


terwijl ik nog wegspoel

ben jij al klaar

Ik vaar twee golven

van je zomersproeten,

die door de zon

onverschillig

zijn uitgestrooid

over het wateroppervlak


de schuimkoppen schetsen

mijn ontnomen landschap

het gezonken

Atlantis

waar deze drenkeling

nooit aan land komen mag


‘meer zee in zicht’ kermt de wind

als je zijn laatste zucht

uit mijn zeilen dwingt,


ik ga overstag.

19 maart 2007

Ga je al, ik vond je net en

het is al lang geleden

mijn lippen betreden

verlegen je wang en ik

pak een sigaret er bij.


Één drankje nog, je stem

klinkt hees, ik droom mijn

hand dicht bij je dij en

stamel onhandig in je oor

iets over een glas koude wijn,


loop dan mee, je lacht

me toe, ik wil je mond maar

pak je hand en streel

tot alles gezegd zal zijn maar

er weer niets is gedaan,


want dan is je bier op, en je

knipoogt naar mij, het is over,

alweer voorbij, vergeefs smeek

ik je terug bij mij maar ik weet

dat jij zult gaan.

Ik had tien minuten in mijn auto op de parkeerplaats gezeten, de sleutel nog in het contactslot. Buiten lag het plein, dat sinds mijn tiende jaar tot een kwart van zijn oorspronkelijke oppervlakte gekrompen leek. Een paar kinderen gooiden een bal over, een donker meisje maakte een bokkiesprong over een paaltje. Net toen ik de sleutel weer wilde omdraaien om weg te rijden liep mijn broertje Peter langs en zwaaide. Ik stapte uit en volgde hem naar binnen.


Mijn moeder bakte appeltaart, mijn zus stond met mijn vader in de tuin. Mijn broer Danjel was bezig de open haard te controleren die blijkbaar niet wilde trekken. Hij draaide zich om, nam mij in zijn armen en zwierde me in het rond. Als de muren niet elk jaar weer tien centimeter dichter bij elkaar waren gaan staan, had ik de laatste vijftien jaar afgedaan als een droom. ‘mijn nieuwe vriendin Lidia komt ook mee-eten’ kondigde hij aan. Ik knikte alsof ik verheugd was. ‘Hoe gaat het met Inge?’ vroeg hij. ‘Goed’ antwoordde ik net zo vreugdeloos. Inge was voorgoed weg, maar waarom zou ik hem dat vertellen? Hij zou alleen maar zeggen dat het zo beter was. Dat ik eindelijk fatsoenlijk een man kon vinden. Dat onze ouders eindelijk een normale dochter zouden hebben. Ik keek door de voorruit naar de doodlopende straat. Een klein meisje met blonde staartjes reed voorbij op een driewieler, haar grote blauwe ogen vol aanbidding gericht op de man naast haar.


Papa!’ riep Danjel. Mijn vader kwam zijn geliefde tuin uit. Hij omhelsde me onhandig. Mijn zus Greta volgde hem de kamer in, met haar man Richard naast zich. Richard sloeg beschermend zijn arm om zijn vrouw heen, waardoor ik Greta alleen met een onbeholpen ‘hallo’ kon begroeten. Mijn moeder bleef in de keuken. Ze kwam daar pas vandaan toen ze Lidia een uur later begroette.


Nou, misschien moeten we eens gaan eten’ zei mijn moeder zenuwachtig, terwijl ze haar handen afveegde aan haar schort en Lidia’s blik ontweek. Lidia was een brunette met krullen tot haar heupen en verrassend grote groene ogen. Ze had een lief gezicht dat open leek te staan voor alles dat plezier kon betekenen. Peter was als eerste bij de tafel, ik als laatst. Vlak voordat we aanschoven draaide Lidia zich naar me om. ‘waar is je vriendin?’ vroeg ze, me oprecht nieuwsgierig aankijkend. Mijn ouders verstijfden. Danjel wees Lidia haar plaats aan tafel. Een minuut later gedroeg mijn familie zich alsof Lidia nooit gesproken had. In dit huis had Inge nooit geleefd.


Halverwege mens-erger-je-niet gaf ik het op. Ik liep naar boven om mijn tanden te poetsen. Het blonde meisje van de overburen stond voor haar raam . Haar moeder was ook in de kamer om haar een nachtzoen te geven. Even kruisden onze blikken en ik overwoog mijn hand op te steken, maar uiteindelijk draaide ik de luxaflex zonder teken van herkenning dicht. Op het harde eenpersoonsbed in mijn oude kamer lag een winnie de poeh deken. Thuis was mijn tweepersoonsbed leeg. Ik wist niet wat erger is, de kou uit mijn eigen muren of uit die van mijn ouders. En eerlijk gezegd kon het me niet veel schelen.


In mijn deuropening stond Lidia. ‘Alles goed?’ vroeg ze. Ik knikte afwezig en trok onnodig het laken recht. Lidia keek me aan en kwam binnen. Ze trapte haar schoenen uit en klom op mijn bed. ‘Vertel’ zei ze. En ik zweeg. Ik wilde schreeuwen tot de muren barsten en ik wilde overgeven uit het raam. Maar ik deed het niet. Ik wilde het huis door rennen tot mijn voeten gespleten waren en iemand vasthouden totdat hij stikte. Maar ik wachtte. Ik wilde met god in onderhandeling. Maar ik zweeg. Totdat ze me vastpakte en mijn hoofd op haar schouder legde. Toen pas huilde ik.


Waar is je vriendin?’ vroeg ze me weer. Ik wilde dat ik het wist. ‘Ik weet het niet’ antwoordde ik. Ze keek me verbaasd aan. Ik schudde mijn hoofd. ‘Niet meer hier’ verduidelijkte ik. ‘Borstkanker.’

17 maart 2007

Clipboard01_1

24 november 2006

lagen,
lagen
lakens,
lappenland,

leegte,
leemte,
levenslast,

lieden,
liefste,
lieveling,

lijdzaamheid.

linten,
lippen,
litteken,

lucht.

18 september 2006

Augustus

Haar handen om de knie geslagen
over de rok, gevouwen, gebold
van alle gedachten die zij draagt,
rozenbottels, zonnegraan
zoete zeewind van het westen
drogend hooi en vluchtend zand

dan licht zij op haar hand
reist omhoog en laat het vallen
olijfboom droog, rode daken
een lange tevreden zucht
danst de trein uit op sandalen
krult haar dromen door de lucht

een zomer in haar pas gevangen.

4 april 2006

Genadeloos.

ook gepubliceerd op http://www.carpenoctum.nl/


Ella kromde haar tenen onder het geweld. Een golf brak zo dichtbij haar handdoek in stukken dat ze zich afvroeg of ze niet de zee in gesleurd zou worden als ze bleef zitten. Toch waren haar tenen de enige lichaamsdelen die bewogen. Misschien wilde ze het wel, meegesleepd worden, al dat eindeloze blauw met schuimkoppen in. Misschien zou ze dan angst voelen, of pijn. Misschien zouden haar benen zich hervinden en trappelen, haar vuisten zich weer ballen naar de horizon, haar stem zich opnieuw verheffen om te krijsen naar god.

Ze had geen god. Ze was niet gedoopd en ze kende geen kerk van binnen. Haar huwelijk was bijna alleen op papier ontstaan. Haar scheiding was op papier bewerkstelligd. Pas daarna had ze hem nodig. Gilde naar hem. Krijste. Tot haar stembanden barstten van tranen en zout en haar handen ontveld en bijna ontvleesd de muren met rust lieten. Tot ze naast het kille doucheputje lag, haar wang tegen de glibberige vloer, haar haren in haar eigen kots. Ze had geen god om te roepen. Ze was alleen.

Alleen met haar benen in de zee. Haar ogen gericht op de horizon. Een kale horizon, een einde waarvan ze niets anders kon verwachten dan weer een dag als deze. Ze verlangde naar de pijn. Ze verlangde naar het schrapende geluid als haar handen op de muren bonkte, ze verlangde naar de droge snikken opwellend in haar keel. Ze wilde bewusteloos raken op de koude vloer en durven denken dat er iemand was op deze aarde of op een andere, iemand die hem terugbracht naar haar.

Maar het was alweer een jaar geleden dat ze haar stem verhief. 'Nu is het over.' waren de laatste woorden geweest. En de meest ware die ze ooit gesproken had. Het was over.

Nu hoefde ze alleen nog maar dood te gaan.

9 februari 2006

(geen titel) lang zijn mijn vleugels...

Lang zijn mijn vleugels
zo lang dat ze het oneindige
raken als je niet uitkijkt.

Maar dat kan je niet.
want je ogen kennen niet
het uitzicht, het einde

en ik spring. Jij wacht
jij gelooft in mij en ik niet.
want ze zijn er, zo lang.

Tot aan de horizon zo lang
en ik weet dat ik zover
niet vliegen kan.

Soap - Liza of de thee-ode.

Hoe lang hoorde thee ook alweer te trekken? Inge keek gefrustreerd op haar horloge en toen weer naar de theepot waar het water langzaam rood kleurde. Liza had een paar minuten geleden haar entree gemaakt. Op bezoek kwam ze nooit, zo zou je het noemen als ze groetend binnen kwam en een plekje zou moeten vinden. Maar Liza bezocht niet, ze beheerste. Ze kwam binnen met de woorden 'waar heb ik de sleutel gelaten', of 'is Maus nog steeds bezig zich om te kleden' of 'is mijn handdoek al gewassen'. Geen begroeting.

Zou ze het merken als de thee minder sterk was dan normaal? Inge nam de theepot van het aanrecht, en een rol koekjes van de koekentafel. Ze zette het op het tafeltje voor Lisa neer, die met haar benen over de leuning van de sofa geslagen haar nagels aan het lakken was. Limoengroen. Net een tint lichter dan haar jurkje met afzakkende bandjes, waarover een wilde bos donkere krullen lag gedrapeerd. "Maus ben je nou nog niet zover?" riep ze ongeduldig naar boven. En daarna keek ze spottend Inge aan met verrassend blauwe ogen. "Ga jij je broer eens even halen" beval ze. Twee armbanden tinkelden tegen elkaar toen ze enigszins onbehulpzaam haar theeglas probeerde te vullen zonder haar nagellak te beschadigen. Inge zag nog net een met sproeten bedekt stukje schouder tussen het oerwoud van krullen door. Misschien waren er wel helemaal geen bandjes aan de jurk. "Nou?" vroeg Liza laatdunkend. "Komt er nog wat van?" Ze bracht haar hand naar haren en streek ze naar achter. Toen zwaaide ze haar nauwelijks bedekte benen van de leuning af en streelde zelfbewust haar dijen.

Met een zucht verdween Inge richting de trap. Ze haatte Liza. Liza die binnen kwam stormen en de stilte aan stukken brak. Kwaad bonkte Inge de trap op, in de vage hoop dat Liza zich ergens schuldig om zou voelen. Niet dat Liza het zou horen of zich er iets van aan zou trekken. Ze zou misschien haar hoofd in haar nek leggen en schaterlachen. Ze zou hooguit haar benen strekken zodat het jurkje nog verder omhoog schoof en er zoveel mogelijk te zien was van haar gebruinde heupen.

De deur naar Maus' kamer stond open. Of Inge het wilde of niet, vanuit haar hoek vanaf de trap kon ze precies in zijn spiegel kijken. Maus zat op een stoel in zijn kamer. Een handdoek was om zijn borstkas geslagen, maar verder was hij helemaal naakt. Misschien wachtte hij tot Liza bovenkwam, bedacht Inge zich. Misschien wachtte hij haar het liefste halfnaakt op. Pas toen zag ze dat haar broer huilde. Hij moest huilend uit de badkamer zijn gekomen en niet de moeite hebben genomen zich aan te kleden. Wat moest ze nu doen? Aankloppen en zeggen dat Liza wachtte? Teruglopen naar het trapgat en vanaf daar roepen?

Inge besloot dat ze Liza zelf naar boven moest laten komen. Dit was niet voor haar ogen bedoeld. Met een enigszins vreemd gevoel in haar maag draaide ze zich om en liep de trap weer af naar beneden. Ze herinnerde zich dat Maus die ochtend had geschreeuwd in de telefoon. Het zou niet de eerste ruzie zijn die hij en Liza hadden, dus ze had er niet veel aandacht aan besteedt. Maar misschien was het dit keer echt ernstiger dan ze had verwacht.

"Waar blijft hij?" vroeg Liza. "Ga hem zelf maar halen" antwoordde Inge, en ze droeg het lege theekopje en de theepot weer de keuken in. Liza liep achter haar aan de keuken in. "Nee" zei ze met een onverwacht zachte stem. "Hij wilde graag nog een keer praten. Ik ga het liefste meteen weg".

"Wat heb je hem aangedaan?" vroeg Inge. "Waarom doe je hem pijn?" ze schreeuwde nu bijna. "Waarom ga je liever weg, waarom kom je nooit meer terug?" Inge keek naar de gehate Liza, haar korte jurk, haar donkere krullen. De borsten vol sproeten die bijna te perfect waren om aan te zien. Ze wilde haar armen om Liza heenslaan, Liza terugtrekken, haar krabben en bijten en slaan. Haar kussen. Dat verlangen was ineens zo hevig dat haar gebalde vuist halverwege een stomp veranderde in een scheurend instrument die de knoopjes van Liza's jurk van boven tot beneden opentrok. Ze drukte zich tegen Liza aan, haar tranen versmolten met andere tranen, haar lippen met nieuwe lippen en haar rug met het aanrecht.

"Dit heb ik hem aangedaan" zei Liza schor. "Hierom doe ik hem pijn. En hierom had ik weg moeten gaan". Ze streelt zachtjes Inge's borsten. De herinnering aan het genot is zo hevig dat Inge zich weer vastklampt aan Liza's middel. "Je bent de perfecte vrouw, op je thee na" verklaart Liza. "Wat nu?" fluistert Inge. een retorische vraag. "We kunnen hier in ieder geval niet blijven." Zegt Liza. Inge weet dat het niet kan. Haar broer zou kapot gaan. Liza moest hier weg. Liza die verliefd op haar was geworden. Liza met haar fantastische benen en haar prachtige lach. God, hoe kon ze over het hoofd hebben gezien waarom ze haar haatte. De onbereikbare vrouw. "waar gaan we heen?" vraagt Inge. "het café om de hoek" zegt Liza. "En vandaar zien we wel verder." Hun ogen vinden elkaar en Inge voelt een schok van verlangen, van herkenning. Dan verschijnt het spottende lachje weer om Liza's mond. "Schiet op, ik bent toe aan een goede kop thee".

20 januari 2006

N400

De smid
zij smeedde
ijzeren
plannen

en scheidde
van haar baan
met lood
in haar hoofd

zij liep door
de avond
terug naar
haar leven

smeet haar deur weg,
en sloot zich op.

23 november 2005

Wikipediaans

Trifolium


Driebladige dood
geslacht door
vlinderende bloemen
aan jou verwant.

Jij was de schandvlek;
gestreepde, roodwitte
aardbeien-poot
slechts als veevoer geplant.

En jouw vermeende geluk
stond aan moordenaar's kant

Ook hij bleek slechts een mutant.

Huh?

--------------------------------------------------------------------


Soezend zachte
streling
ooit het neusje van
de Grote,
zwoel voor een
paar euro
bij elke slechte toog.

Kwaliteit verdween door
noodlot
toch biedt het heden
uitzicht,
de geneugten zijn
wellicht nu
weer in hotels te koop.

Huh?

De Rode Salon

In de Rode Salon was geen tafel te veel. Daar dansten jonge vrouwen met hun prille minnaars, tot de morgenzon hen weer naar buiten wenkte. Zij dansten en dansten met wervelende rokken langs de muren, over de karmozijnkleurige tegelvloer klakten onophoudelijk hun hakken. Een echte salon was het niet, de enige plek om te rusten waren de rode kussens gestapeld op de vloer aan de rand van de dansvloer. Echt vermoeide dames konden via een binnenweg naar de groene parallelwereld wandelen, of de koude nachtlucht inademen.

Zij had geen pauze nodig. Haar vuurrode baljurk waaide onophoudelijk als ze zwierde en zwaaide, met ogen die altijd leken te lachen. Ze was het geluk zelf, en dat wist ze, als mannen naar haar bogen en vrouwen zich wenden om een dans naast haar uit te draaien. Want in haar school de wetenschap die haar tranen gekost had, en bloed, maar die haar onsterfelijk maakte; ze wist hoe ze liefhebben kon. En ze had de vloer lief waar haar hakken op tikten. Ze had de muren lief waar haar rok tegen kapot sloeg in een sierlijke werveling. Ze had de mensen lief die naast haar dansten, met haar dansten, om haar dansten. Om haar. Want zij was het bestaansrecht van de Rode Salon. Zij was de spil van deze wereld.

Hij keek. Ze danste sierlijk langs hem heen, met een zelfbewustzijn die verdwaasde, maar ook met een kinderlijkheid die de adem benam. Haar donkerrode haren waren opgestoken tot een knot in haar nek en nepzilver schitterde om haar hals en armen. Echt zilver fonkelde in haar ogen. Hoe wijd de jurk ook mocht zijn, hoe opgepoft de mouwen, ze was geen millimeter te veel, te overdreven. Een koningin uit oude tijden. Buiten hier deed zij misschien niets, maar hier was ze zijn vrouw, zijn muze, zijn geluk. Als ze met hem dansen zou, zou hij de hemel behalen. Als ze hem zien zou voor wie hij was, zou hij haar het leven schenken. De kinderen, het huis, de katten. En elke avond een dans in de Rode Salon.

Ze keek hem aan. Haar blauwe ogen gingen tot op zijn bot, en weer terug. Lieten een spoor achter van een waarheid die ook buiten deze salon zou bestaan. En in hem brandde een vuur dat niet gedoofd kon worden. Want er lagen bomen op de vlammen, en zij brandden zonder afvalhout, zonder aansteekblok. Hun as maakte zijn gronden vruchtbaar.

Zij vroeg hem niets, zij keek slechts. En hij voelde de dansen die ze maken zouden, de nachten die ze dromen konden. Hij voelde de avonden dat ze zouden wandelen, alleen om de schoonheid te zien. Hoe ze lachend een heuvel af zouden rennen om het eerst een schommel te bereiken. Hoe ze terras na terras uitplozen om de beste drank te ontdekken. Hoe ze concerten en evenementen zouden bezoeken, zich laten verdrinken in de schoonheid, de puurheid, het leven dat hen wachtte. Ze zouden kunnen leven. Zoals leven bedoeld was. Gelukkig kunnen worden. Op de manier dat geluk zijn naam gekregen had. Ze zouden vechten. En blijven. En dansen. En blijven. En reizen. En blijven. Ze waren elkaars wortels in dezelfde aarde. Als ze hem maar de keuze zou geven.

Die gaf ze niet. Zodra ze naar hem toedanste, met haar ogen nog in de zijne geklemd, wist hij dat hij de kans niet kreeg. De kans om na te denken, om terug te krabbelen. Om te kiezen voor zijn melancholie boven dit onverwachte.

Een hand werd naar hem uitgestoken, greep de zijne en trok hem naar het midden van de vloer.
'Dans' zei ze.

22 november 2005

De Groene Salon

Het was de Groene Salon waar hij haar zag. Over de zachte suède banken bekeek hij haar urenlang, zich onbespied geweten in het complexe interieur. Overal stonden stoelen, fauteuilles, kleine tafeltjes met gouden gedraaide poten, glazen vazen en glinsterende prullaria. Mensen zaten her en der ontspannen te praten en te lachen. Zij zat op een veredelde kruk, dronk zwarte koffie en droeg een zwarte avondjurk. Ze was het.

Hij bleef zitten in zijn hoekje achter de kamerplant, van drie uur 's middags tot sluitingstijd. Hij bekeek haar tot hij met zijn ogen dicht de kleine ritssluiting onder de oksel zou kunnen opentrekken, in zijn slaap de ladder in haar panty zou kunnen aanstippen met nagellak. Haar lippen waren een glasachtig roze. Haar ogen een verontrustend ijsblauw. Ze had een kunstwerk kunnen zijn als ze niet ineens zou hebben bewogen. Maar dat deed ze wel, ze boog haar hoofd plotseling naar links en keek hem recht aan.

Haar snijdende ogen doorkliefden hem niet tot het bot. De schimmen in haar namen hem niet langzaam en klam in bezit. Noch klonk er een bel van erkenning, van euforie, of tederheid misschien. Om heel eerlijk te zijn was er niets. Helemaal niets. Geen opluchting, geen adrenalineshock, geen melancholie, geen koude depressie. Een beetje ergernis misschien, maar daarmee hield het op.

En hij besefte dat hij misschien van haar hield. Maar er was geen passie in zijn lichaam, er was geen heftig vluchtgevoel in zijn benen. Al de vrouwen die op haar leken maar haar toch niet bleken te zijn hadden hem ontroerd, hadden hem dichtbij gedreven, ver doen vluchten. Ze hadden hem avond aan avond doen kussen tot zijn lippen bloeden, doen vrijen tot zijn lichaam niet meer kon, tot zijn lichaam opnieuw wilde. Ze hadden hem in bed genomen en vertroeteld en dan van hem afgekeerd, hem doen verlangen en verlangen en breken, hem doen willen slaan en trappen en bijten. En hij had getwijfeld en gelooft, hij was gevlucht en was gebleven.

Tot hij niet meer kon. Zij niet. Zij vroeg hem niet waarom hij keek. Zij keek alleen terug. Zij vertelde met haar ogen. Niet van passievolle dansen, niet van dagen tussen lakens. Niet van onrust en ontevredenheid, van slaande ruzies en onbegrip. Zij verteld van een huis en een kat. Van een baan en een kind. Van een lichte tederheid die hen zou binden, van wat kleine onredelijkheden die hen uiteen zouden drijven, van een gevonden middenweg die nooit saai zou zijn, maar ook nooit spectaculair. Een zekere tevredenheid.

Toen ze opstond en de kreukels uit haar rok sloeg, wist hij wat er komen zou. Hij voelde zich leeg. Hij wist dat hij een beslissende keuze moest maken, of voor een leven van spanning, geluk en verdriet, of voor een zachte tevredenheid.

Een hand werd naar hem uitgestoken, bleef hangen in de lucht tussen hen. 'Kom.' zei ze.

21 november 2005

Dikke van Dale

een mini-gedichtje, geheel goedgekeurd door mijn dikke van dale;


jm. z.s.k.m.
n-r, o.v., lfst. z.b.b.s.
br.m.f.o.e.r.

17 november 2005

Nina

Ze springt, trekt me mee op het bed. Donkere huid, dik krullend haar dat op haar schouders valt. Amberkleurige ogen. De ogen van een leeuwin. Ze scheurt de kleren van mijn lichaam terwijl het oranje licht van de ondergaande zon de kamer in druipt. Haar heupen zijn los, haar handen gemaakt van zwaar fluweel. Langzaam streelt ze mijn borsten, veroorzaakt met één zachte vinger een huivering over mijn buik, langs mijn liezen. En verder.Ze voelt, kijkt, proeft, danst tot we samen ten onder gaan in bergen van lakens, de gouden nachtlucht duizendmaal de zon heeft weggejaagd en grote purperen bloemen zich de kamer in gekruld hebben. De ranken wikkelen zich vrij rond mijn onbeschermde enkels en bereiken mijn heupen al bijna als we samen exploderen tot nieuwe zonnestelsels en ons omrollen voor een dagenlange slaap.


Straks zal ik weer daar staan, daar buiten, met mijn veel te witte schoenen. Met mijn te dikke trui en te korte broek. Gewoon staan in dat licht terwijl de regen naar beneden valt. En dan weer mijn ene been voor de andere zetten, met de pijn die door mijn botten vlamt. Stap. Stap. Naar mijn werk, naar binnen, waar ik koffie krijg en te hard lach om de grappen van de receptioniste. Naar het kantoor waar ik mijn jas ophang en in elkaar krimp boven de koffie. De computer staat al aan en ik tik. Tik. Tik. Zolang nog. Tot de laatste tik. Dan kan ik naar huis. Opnieuw lach ik te hard, te hoog. En stap ik naar buiten terwijl ik merk dat de lach eigenlijk een huilbui zou moeten zijn. En dat in mijn zak het mes zit dat ik in mijn polsen zou moeten boren, maar die ik diep in de bast van een boom dring. Want dit is over van mijn leven. Stap. Een zielig hoopje mens. Die de treinrails niet meer durft aan te kijken in de angst dat deze teruglonkt. Stap. Stap. Verloren, de weg kwijt. De eigen geest kwijt. Dit ben ik. Stap. Stap. Als ik me anders beweeg wordt de pijn misschien minder. Als ik anders draai stopt het gekreun misschien in me. Ik ga zitten en jank als een hond. Als een beest krauw ik mijn nagels kapot aan het wegdek. Krab. Krab. Krab. En met slierten schuim aan mijn mond slinger ik de losgewrikte steen in de rivier. Als ik het allemaal afbreek. Als niets meer bestaan zou. Als het allemaal maar niet waar was.

En ik de deur weer achter me trek. Geen boodschappen doe vandaag. Net zomin als gisteren, net zomin als morgen. Mijn bed instort en hem openwoel. Mijn gordijnen van de haken trek. De fotolijsten door de kamer smijt en weer zitten ga zonder de opluchting die brekend glas soms veroorzaakt. Zelfs als de scherven me doorboren voelt mijn verdriet nog zwaarder dan mijn vlees. Ik kan nergens heen. Ik kan niet meer vluchten. En toch werp ik de deur weer open en ren.

Stap. Stap. Stap. Want de weg voert me verder, laat me niet alleen. Over stenen waar wij waren. Over dagen waar wij lachten en leefden. Jouw ketting om mijn hals, je armen om mijn middel. Toen ik gewend was aan de zekerheid dat ik morgen weer dansend op zou staan. Dat de vogels weer floten en de hond weer blafte en ik dat aangenaam vinden kon. Stap. Langs de buslijn die me vroeger naar jou bracht. Stap. Stap. Door de straat waar je me toffee voerde en het lamplicht als karamel over je huid vloeide. Stap. Langs het park waar je je vingers over mijn huid liet glijden, zachtjes zoekend naar de warme vochtigheid van mijn verlangen. Stap. Stap. En verder, over stenen die gezien hebben dat je van me hield. Tot de hoek waar de lantaarnpaal vertellen kan, als hij een stem had gehad. Vertellen over de angst die je deed vluchten.

Over de man waar je mee weg ging.

Mijn voeten stokken. Stil is het hier, waar de dag nog niet beginnen wil, zolang de lantaarnpaal fluistert over je nieuwe leven. Je dochter zal nu vier jaar oud zijn. Je hebt me haar nog nooit laten zien. En Kevin zal een succesvol man zijn. Ik heb hem nog nooit gesproken. Je verlangen moet vervuld zijn. Je zoektocht geëindigd. Je experiment met vrouwen slechts een schim uit het verleden. Een tijdelijke vlucht uit je saaie bestaan. Ja je bent gelukkig, vertelt de lantaarn me met zijn droevig flikkerende licht. Dus ben ik gelukkig voor jou.

Stap.... Stap. Langs de laatste huizen. Ik werp een blik naar binnen. Vrolijk verlichte ramen. Een donkere vrouw en een lachend kind, haren die zwieren door de lucht. Dan een man die de keuken uitstapt met een bord opgewarmd eten. Zij lacht naar hem. Hij omhelst haar. De kade is niet ver weg. Stap. Stap. Stap. Een teen vooruitgestoken. Het is koud novemberwater dat mijn steen heeft meegenomen.

Ik hoef nog maar één stap.


Als ik wakker word is ze weg. Het bed trilt nog na van de inspanning, het plafond ligt aan stukken. De zeven zilveren manen die wij in onze zonnestelsels geschapen hebben hangen in een keurige rij recht boven me. Ik heb nog net de tijd om naar de hemellichamen terug te knipogen. Dan ontnemen de purperen bloemenranken mij met een laatste verstrikking de adem.

stijlexperiment

Je bent altijd mijn zwarte schaduw,
zelfs in de duisterste nachten
Kleef je aan mijn voeten,
Maar zonder een teken
Spring je overeind
Als de zon mij
Beschijnt.

Hoop.

16 november 2005

Spelling

check

en al in de eerste zin krijg ik het voor elkaar...

gedoucht.

met een t. zonder ed.

het wordt tijd voor mijn inburgeringscursus.

5 november 2005

Lekker puh.

Ik vertelde je alles
wat belangrijk was, alles
en je wist het, alles, wij.
nu spreek ik je niet, nooit niet,
niet nooit, nooit niet en als het
kan loop ik je voorbij
alles is weer alleen van mij.

Wat wij echt hadden, alles,
dat alles, jij kunt er nu
nooit meer helemaal bij
je snapte er niets van,
niet nooit, nooit niet en
vroeger is voor jou voorbij
alles is weer alleen van mij.

26 oktober 2005

Herfst

Wolken onttrekken
de hemel van aarde
regen spoelt stof
dat steden bezet
de wind verwaaid dagen
hult bomen in vlagen
die straten weer dekken
met roodbruin karpet
de wereld verkleedt eerst
in verzadigde kleuren
wordt dan onthuld
tot een naakt silhouet.

4 oktober 2005

Braaksel

Soms geef ik me over aan het verlangen mijn gekunstelde stijl te verlaten en slechts te brallen en grauwen in een vreemde taalcompositie die sommigen dichten noemen - en anderen niet meer dan wat uitgekotste woorden na een avond vol drank. Lees het alsof er geen pauzes bestaan en alles er in één adem uitgebraakt moet worden... een tweede keer is er enkel gal.


Braaksel

en de tijd tussen ons
blijft me als een brok
in de keel steken,
hoestend en brakend het
uit te geven
over te kotsen
nieuw leven ik hier
jij weg en wij
passie huid en vlees
rauw om de botten gespannen
verlangen te dringen
met een mesje te snijden in
vezels die organen binden
om zachtjes pulserend week
weefsel te hakken
te prakken
als aardappelen door de
jus waarin wacht
het antwoord in glibbers en
glijdingen slijmerig
gehoopt tussen koortsig
gloeiend groeiende organen
drukkend in jouw weke vlees
wit als een maagd
als een onschuld dat ik
bebloed heb beklommen
flarden rode siroop uit je
lichaam gedronken
onverdund
of het ging om mijn schuld
die ik slik zonder kauwen
mijn speeksel als asfalt
nog zacht en kneedbaar
gehard in de klauwen
van mijn eenzaam verlangen,
gedroogd en geveld
verveld tot de laatste
schilfers, uitgeteld
meegevoerd

jij verdord lijk met je handen van gal
die mij liet, bekneveld, gekneveld,
bergen knevels in vel
kippenvel los om het bot
ik ben doorgerot
ik ben de hel
jij bent mijn god.

1 oktober 2005

de dichter

Hij bericht van een verlangen
een dagtocht ver van waargenomen
ziet zich stappen over grenzen
die horizon hem niet kan tonen

hij schrijft over een ontglippen
uit de wereld die hij kan geloven
maar het uitbreken van gedachten
gaat zijn woorden steeds te boven

en in alles wat hij heeft gezegd
is slechts zijn onmacht vastgelegd.

21 september 2005

Schaduw

Roodblonde krullen plakken vast aan haar hoofdhuid, alsof ze net gedoucht heeft, of een zware inspanning verricht. Ik streel een lok van haar gezicht, die vast wil blijven kleven aan mijn vingers. 'Niet loslaten!' fluistert het koperrood, vlak voordat het zijn klamme grip op mijn vingers verliest.


Hoe lang is het geleden dat ik haar tegenkwam? Zij en ik in een klein café, ergens op een nachtblauwe maandag. Haar krullen waren toen levendig, als een stralenkrans om haar gezicht. Een klein neusje, sproetjes, rode wimpers. Stevigheid, zelfverzekerdheid. Één en al lach. Ze droeg de kleur groen die haar bleekheid en zachtheid een schreeuw meegaven 'raak me aan, ik ben alles'. En ik wilde haar aanraken. Haar lippen die zich krulden om haar glas, de rode wangen die elke lach omsloten, haar droge vingers die zich liefdevol en speels vouwden om het uiteinde van haar tafeltje. Ik had me het liefst in haar schaduw willen oprollen, om te leven van het geluid van haar schateren.

Als ze maar schaduwen had gehad. Maar die waren niet te vinden. Ik moest in het volle daglicht naar haar tafel wankelen. Een slanke brunette met donkere ogen pakte me bij mijn arm en fluisterde kriebelend in mijn oor 'Ik ben eruit. Ik ga met je mee.' Linda. De vrouw waar ik al meer dan drie jaar een hulpeloze jacht op maakte. Met haar bloedmooi gezicht, haar stijl, haar gedegen opleiding en beschermend gelijke opvattingen. We wisten de kindernamen al. Ik hoefde maar te wachten op haar antwoord, ik hoefde maar te wachten op deze woorden, of ons prachtige leven kon beginnen. Genoeg schaduwen om me voor altijd te verbergen.
Ik vergat haar aan te kijken, ik vergat te ademen toen ik haar arm wegduwde. Want slechts drie meter van mij vandaan hadden twee lavendelblauwe ogen mij gevonden.

'Hallo', mijn huid glom bleek van onzekerheid toen ik mijn glas op haar tafel neerzette. Ze antwoordde niet, maar legde haar arm om mij heen en haakte haar vinger in mijn riembandje. Haar lippen raakten de mijne nog voordat ik de mogelijkheid kreeg verbaast te kijken. In vol nachtlicht stonden we daar en bleven we staan, haar mond door onzichtbare tederheid verbonden met de mijne, totdat de café sloot en ze mijn hand pakte om me naar buiten te leiden. Ze toonde me de wegen die naar haar huis liepen, en tekende met haar handen elk pad naar de onbereikbare maan. Ik drukte mijn nagels in haar vel en hoorde aan haar kreet dat zij niet droomde. Ze duwde me het gras in, beet in mijn armen tot het bloedde en vond toen met haar vingers een weg door mijn aderen tot ze het diepste in mij raakte.

Vanaf die nacht sliep ik in haar bed. Blauwe nachten, rozegroene dagen. De zon bescheen ons als ze wakker werd. Zij was voor het geluk gemaakt en in haar armen was ik haar gelijke. Als ik mijn ogen sloot wist ik dat ze zich aan me vast zou klauwen als ik die nacht door een ritseling misschien gewekt zou worden. Haar haren zouden in mijn neus kriebelen en haar armen zouden zich vasthaken alsof ze in me klimmen wou. Niet met de wanhoop van een jaloerse minnaar, maar met de slaperigheid van een aanhankelijke kat. Ik had nog nooit zoveel licht gekend als er besloten lag in het blauw van haar irissen.

Het interesseerde me wat ze deed en wat ze wilde, maar veranderen deed ik haar nooit. Overdag klommen we over honderden duinen. We zagen de stad tot in zijn allerdonkerste steegje, en roken zelfs daar de zonnestralen, hoorden zelfs daar de tonen van Braziliaanse dansen. Het geluk volgde ons overal. Het liep me voor de voeten, liet me struikelen, rende me achterna tot in de vroegste uren van de krakerige morgens, als ik me om wou draaien en vragen om minder dan dit. Zij omarmde het. Overal waar zij keek was plezier. De weemoed sloeg mij steeds harder in de rug. Er was geen enkele schaduw meer om mijn hoofd in te verbergen. Waar moest ik heen om de zon te ontvluchten, de warmte van haar armen, de uitbundige, stralende lach bij alles wat we deden?


Ik ging het tarten. We vlogen door stegen van vrijheid, schommelden samen tot het laat werd en de bloesem naar beneden dwarrelde om ons met een deken te bedekken voor de nacht. En ik genoot met volle teugen, keek dan stuurs opzij. Geluk is als zuurstof; een levensbedreigende levensvoorwaarde. Het week dan heel even, zijn klauwende armen werden striemende nagels. Het kon me niet meer bereiken.

Dan beet ik het. Joeg het weg tot het vluchtte en zijn Braziliaanse muziek met zich meenam als ik bij haar was. Ik zat het achterna met mijn klauwen, met mijn van woede vertrokken gezicht. Ik doodde het. Uiteindelijk doodde ik het.

Ze ging weg. Ik heb haar nooit meer gezien. Vijftig lange jaren ben ik haar vergeten. Ik trouwde Linda en ik heb haar kinderen gekregen. Ik ben niet ongelukkig geweest, maar de bloesem regende nooit meer langs mijn ramen. Tot ik vanochtend naar buiten keek en haar zag liggen. Haar nek in die vreemde hoek, zomaar, midden op straat.


De krul heeft zich nu weer perfect om haar oor gewikkeld. Ik neem haar hoofd in mijn handen, leg het op mijn buik. Het briefje is kort, maar krachtig. 'Laat mij je liefhebben'. Met mijn handen grijp ik woedend in haar haar. Dan leg ik haar terug op de straattegels en ren de weg op. Gierende remmen. Een harde plof.

En mijn lichaam glijdt moeiteloos haar schaduwen in.

(geen titel) duizenden mondkappen...

Duizenden mondkappen
folteren branden en dringen
in poriën binnen
snijden rijten wringen
met ijzeren precisie
scheuren verwijderen
membranen in lagen
en schonen het, drogen
routineus drukkend
met krachtige vingers in het
jooddrinkende gaas
krabben dan kinderachtig
korsten open hechtingen weg
met handen van steriel geel plastic.

Foto

Verwrongen lacht ze in de lucht,
voeten verankerd in zilverzand
verstarde druppels op haar kuiten

de zwarte haren en scherpe lijnen
in streng perspectief getrokken
naar een punt in de roerloze zee

de antwoorden zweefden
in het schuim op haar lippen
en samen gingen zij te water;

want in de foto zou ze altijd
morgen nog een dag bestaan.

Online

Mijn verhaal 'nacht aan zee' in de Zij aan Zij van augustus dit jaar is nu te lezen voor bezoekers van de site (klik op de afbeelding):


Illustratie van Lisette de Zoete

Wat is leuker dan jezelf online (en netjes met bronvermelding) tegen te komen?


En ook met een compliment (ritmische gedichten) in het juryrapport van Write Now Amsterdam (waarin ik het helaas niet verder schopte dan dat)


Write Now


Mijn ego is weer gestreeld.

fotoreportage Robert Vollekindt


Deze fotopresentatie dateert nog van oktober 2003, toen ik de maandelijkse 'dichter te gast' was van de fotograaf (en poeet) Robert Vollekindt

Over Robert Vollekindt
Robert Vollekindt's eigen website

20 september 2005

(geen titel) het was die dag...

Het was die dag dat het
de hele middag al nacht was
en de maan zich spiegelde
in een vraagteken
op het zwarte water

Toen de muur zich opende
zonder een enkele sleutel
en me naar buiten trok
met het antwoord
op elk morgenrood raam

Een lente ontlokte zich
op de top van mijn bergketen
en liet mijn angsten voor later;


Ik brak een nieuwe morgen aan.

Godenzang

Ik ben onsterfelijk. Dat wordt nog wel eens vergeten. Men kan om mij lachen en mij bespotten, zelfs onwetend zijn van mijn wezen. Maar ik blijf bestaan.
Ik ben geen vrouw van vlees en bloed. Een lichaam heb ik allang niet meer. Die had ik enkel in de gloriedagen der goden, toen men mij aanbad en me met verhalen gestalte gaf. Maar ik ben er altijd in mijn functie. Ik jaag de dood in en help nieuw leven uit het kraambed.
Noem me Agrotera, godin der jagers. Noem me Artume, god van nacht en de doden. Noem me Kourothropos, de voedster van de jeugd, of Locheia, geboortehulp en verlosser. Noem me Kallisto, de mooiste. Noem me desnoods de 'luidruchtige' zoals Homerus deed. De overleveringen maakten me godin van de jacht, het woud, de wilde dieren. Soms godin van de vruchtbaarheid en van de maan.
Als jullie me kennen, stervelingen, is het als de kuise godin die mannen versmaadde en zich terugtrok in de vergetelheid van haar bossen. Welke verhalen zijn er van me bewaard gebleven, welke functie kunnen jullie me toeschrijven, jullie gebrekkige kenners van de zo diepe geheimen uit het oude godenrijk? Degenen die me nodig hadden hebben begrepen wie ik ben en waar ik voor sta. Maar zoveel mensen kijken over me heen als een van de minder belangrijke goden. Er is weinig van me overgebleven in jullie vele verhalen uit de oudheid. En dat is zeker begrijpelijk. Tenslotte waren schrijvers altijd mannen.
Maar nu zal ik jullie vertellen wie ik ben. Nu zullen jullie weten waarom ik net zomin kan sterven als Zeus, de Heerser en Slaaf, Athene, de Wijsheid en Waanzin, Poseidon, de Hoop en Angst. Ik zit net zo verweven in jullie menszijn als zij, ik ben deel van jullie. Stil, sterfelijken. Luister, mijn moeders, zusters en dochters van zowel vrouwelijk als mannelijk geslacht.
Artemis spreekt.

Hij jaagt haar op, de woedende, machteloze man. Lust heeft hem gevangen. Pure lust en daarnaast pure wraak. Hij denkt iedereen te kunnen beminnen die hem bevalt, man, vrouw, god, mens. Een verlies als deze kan hij niet verkroppen. Een vrouw verliezen als deze vrouw, vrouw der vrouwen, nimf der nimfen, aan iemand als ik heeft hij nooit kunnen verwerken. Er was maar één manier om zichzelf te wreken, trotse, woeste Apollo. Dat was haar te nemen. Haar te nemen in mijn woud, haar aan zich te binden waar ik zijn trots de grond in had geboord. Ik was er niet om haar te helpen. Ik was er niet om het onrecht te voorkomen. Ik weet dat het slechts haar onwankelbare trouw en liefde aan mij is geweest die de woeste verkrachting en ontering wist te doen voorkomen. Alleen als de liefde de kracht van ons goden te boven gaat, als de liefde gemaakt is van aarde en bloed zoals uit oeroude magien van vóór ons, alleen dan kan een wens als deze uitkomen. Zij was goddelijker dan ik ooit zou kunnen zijn. Ik ben een godin. Zij was een laurierboom.

Ik strek me loom uit na het bad van de middag. Het is al weer twee uur geweest, het hert dat als avondmaaltijd zal dienen is al opgejaagd en verslagen. Het bloed en zweet van mijn eenzame jacht is van me afgespoeld in het liefelijke riviertje, dezelfde waarin Zeus mijn moeder ooit verleidde. Bijna twintig nimfen omringen me nu, druk pratend en lachend met zilveren stemmetjes, dunne enkeltjes in het water, gladde lichamen, snel bij elkaar gebonden haren.
Een grote adelaar vliegt tergend langzaam over het bos. Ik tast naar mijn pijlen en pijlenkoker en leg aan. Een schreeuw verscheurt de stilte, een verenbos valt machteloos naar beneden, verandert dan halverwege in een klein musje en landt alsnog waardig.
'Je weet dat ik je liever hier niet heb'. De nimfen zijn opvallend stil geworden en kijken met angstige ogen naar de mus die prompt verandert in een statige man. 'Ik hoef geen rekenschap af te leggen van al mijn daden, onthoudt dat'.
Apollo trekt zich niets aan van mijn bezwaren. Zijn ogen gaan goedkeurend langs de nimfen, maar hij bekijkt ze niet met lust maar met een zekere verering. Daarom eis ik hem niet om weg te gaan, geef alleen met een armzwaai aan dat de meisjes kunnen vertrekken. Als hinden vluchten ze het bos in, alle kanten op, worden één met de bomen en de rivieren.
Hij gaat zitten aan mijn voeten. Zijn bewegingen zijn sierlijk en zelfverzekerd. Alles aan hem is poëzie, denk ik, en even heb ik een hekel aan hem. Dan verzwakt de aanval van misselijkheid weer. Apollo kijkt naar zijn schoenen om geen blik op mijn naaktheid te hoeven werpen.
'Zeus is ontstemt' zegt Apollo. Ik snuif minachtend. 'Die epidemie... ik bedoel, was dat echt wel nodig?' 'Ja.' Antwoord ik. 'Maar zusje, Zeus houdt van Kreta.' Hij houdt abrupt zijn mond als ik woedend opstuif. Ik zegt niets, maar lijk omringt met een angstaanjagende koelheid en dwing hem naar beneden te kijken, langs mijn lichaam naar de grond. Hij huivert van afschuw. 'Kwam je daarvoor helemaal hierheen? Zeus kan altijd Hermes sturen.' Zeg ik op een ijzige toon. Apollo trekt zijn schouders op en zucht. 'Nou eigenlijk... er is een meisje.'
Ik zucht van begrip en toegeving, laat mijn ijzeren masker varen. 'Ah broertje, waarom kan je het gewoon niet bij je mannen houden?'

'Het is één van jouw meisjes' vervolgt Apollo alsof hij me niet gehoord heeft. 'Ze heeft koperrood haar en een groene jurk... en Artie, ik kan toch niet...hoe kan ik haar vergeten?' de tranen staan in zijn mooie amandelogen. Maar ik ben niet geroerd. Apollo's tranen zijn als zijn woorden, ze vloeien te vaak, en veel te snel. 'Lieve broer, Daphne is niet van mij. Hoe kan ik haar vragen naar jou te gaan? Besef je niet dat mijn vrouwen zelf beslissen of ze de vrijheid kiezen of het huwelijk?' Apollo zegt langzaam, bijna aarzelend 'Maar jij bezit het geheim tot het hart van de vrouwen. Jij weet wat ze zijn van binnen. Jij begrijpt ze. Jíj begrijpt ze' Apollo lijkt in gedachte verzonken. Ik schud meelevend en toch ongeduldig mijn hoofd. 'Apollo, kijk naar me. Nee kijk! Mijn lichaam, mijn naaktheid, zie het aan'. Maar Apollo wendt haastig zijn hoofd af. 'Dan niet, zuster.' zegt hij bitter. 'Dan niet.'
In zijn ogen zie ik een onverbiddelijke haat. Hij zal niet wachten totdat hij me hiervoor gestraft heeft. Ik zucht verdrietig. Als één man het begrepen zou kunnen hebben was hij het wel. Hij die nauwelijks boog voor Aphrodite's lust, veel liever de echte, zij het niet altijd vleselijke, liefde achterna ging. Nu verdwijnt hij met wrok in zijn hart.

Mijn meisjes komen langzaam aan terug. Vrouwenschimmen. Feeën van het woud. Waterwezentjes. En tenslotte mijn nimfen. Jeugdig en schoon, opgetogen en vrolijk. De mooiste vrouwen van deze aarde, de vrouwen met de meest heldere zielen, de meest onschuldige gedachten. En ik kan het weten. Ik ben de enige van de goden die vrouwen begrijpt. Niet slechts hun machtszucht en hun wraak, hun jaloezie en geilheid. Ik ben verzonnen door vrouwen, gemaakt door vrouwen en geloofd door vrouwen. Mijn lichaam is hun hart.

De laatste van mijn nimfen die arriveert is Daphne. Ik slaak een zucht van opluchting. Het gebeurt wel eens dat een man één van mijn vrouwen verwond als ze in hindenvermomming is. Mannen lezen geen harten. Kunnen zij het verschil niet zien tussen hert en mens? Kunnen zij werkelijk iets proberen de dood in te jagen dat zo goed en zo puur is? Mijn toorn is verschrikkelijk als een man zo'n gruweldaad begaat. Ik laat ze lijden zoals zij hun vrouwen laten lijden, ik verstrik ze in een val waar geen uitweg meer uit is. Het is nooit mijn keuze die ze maken. Ze schieten hun eigen bevelhebber af uit vrije wil. Ze offeren hun eigen dochter omdat ze te zwak zijn tegen het leger in te gaan - of tegen mij. 'hallo' zingt Daphne's stem al van verre. Uitgelaten werpt ze haar roodblonde krullen achter haar oren. Haar helderblauwe ogen kijken naar mij. 'Hallo Daphne' zeg ik waardig. 'Mijn broer was hier voor jou. Hij begeert je.' Misschien heeft hij haar zelfs werkelijk lief, ik weet het niet. Ze spreidt haar ogen wijd open. Dan bloost ze een beetje. Misschien kan Daphne Apollo ook liefhebben. Misschien. Het is niet aan mij om te beslissen over het pad dat mijn vrouwen volgen. Het is niet aan mij te beslissen of ze vrijheid verkiezen, of huwelijk. Of mij. Dus ik wacht af.

En terwijl ik wacht valt de nacht. En stijgt mijn onzekerheid. Wij goden zijn niet onontvankelijk voor menselijke fouten, begrijp je. We zijn gecreëerd door mensen, dus kennen ook al hun emoties, hun haat en nijd, hun lust en geluk. En we kennen verliefdheid. Van het soort dat je overvalt bij de eerste blik op iemand. Dat je achtervolgt door diepe dalen en hoge bergen, dat zich schuilhoudt in je ooghoek, in elke toevallige voorbijganger, in de manier waarop die loopt of de ander kijkt. Dat je doet lachen zonder reden, dat je door de knieën kan laten zakken, dat je kan laten zinken van geluk. Wij goden willen ook onze hoofd op een schoot leggen. Wij goden zouden ook onze onsterfelijkheid willen afleggen en ter plekke sterven voor slechts een aanraking, de lichtste der aanrakingen, van de lippen van de ander.

Als ik me ten ruste leg, mijn hoofd op mijn armen, voel ik haar tegen mijn lichaam aanglijden. Misschien kan ze met Apollo zijn, als ze nooit geweten had wat het was mij lief te hebben. Ik zie het aan de blankheid van haar huid. Ik ruik het aan de wildheid van haar haren. Daphne zal me nooit kunnen verlaten. Zelfs voor vrouwen uit de familie van Zeus bestaan er gelukkige relaties. Vooral wanneer er geen man is die zich er mee bemoeit.
Zelfs voor Romeinse vrouwen en mannen bestaat er levensgeluk. Zolang ik er ben om over hun harten te waken en wegen te scheppen voor de paden van de liefde. Venus mag de godin van lust zijn. Ik ben de godin van liefde. En Daphne behoort mijn liefde toe.

's Morgens, als ik mijn ogen nog niet openen kan en ik gluren moet door mijn tegenwerkende wimpers, is het mogelijk te denken dat ze er nog is. Dat één van de blauwachtige schimmen die ik in aan het meer ontwaar ook werkelijk haar is, zoals ze was in haar ochtenden met mij. Zo blauwgrijs omdat er nog geen licht was, haar warme huid zich uitstrekkend naar mijn zoekende vingers. Vaak gaapte ze en krulde zich op haar zij, het hoofd diep onder de dekens om niet wakker te hoeven worden, nog net die glimlach van tevredenheid om de mond. Een glimlach die ik vóór haar slechts kende van pasgeboren baby's. Een glimlach van compleet vertrouwen, van uiterste overgave. Dan gleed ik tegen haar aan, haar warmte in, onze benen en armen onontwarbaar in kluwen. En we sliepen tot de verplichtingen verleden tijd waren. Tot de dageraad haar prachtige gezicht in volle glorie vertoonde, tot zonnestralen kriebelden in haar roodkrullende haar, knabbelden aan haar oren en bezitterig afgleden langs haar lippen. Tot het weer mogelijk was te onderscheiden wat haar lichaam was en wat het mijne, omdat het licht onze lichamen blootgaf.

Elke dag zal ik moeten rouwen. Apollo heeft zijn wraak gekregen. Maar ik bezit het vrouwenhart. Geen god heeft ooit gedurfd te kijken, elke man die het zag stierf door zijn wetenschap. Ooit zal Daphne's hart opnieuw geboren worden. En dan ben ik degene die het lezen kan.

(geen titel) kom met mij...

Kom met mij
fluistert zachtjes
het behang

begerig zoekt
de bank je hand

en het gesloten raam
kwijnt in stilte
achter zijn gerolde tralies

het huis leeft om ons,
kwetsbare wezens
tussen de lakens
van uren breed.

(geen titel) wie vangt mij nog...

Wie vangt mij nog
verdrogend zonder angstzweet
mijn keel tergend langzaam
in eenzaamheid geknepen

zelfs van pijn verstoten
zonder woorden die nog spreken
gewekt in de omarming
van jouw meedogenloze leegte

wie telt de gedachten nog
tussen mistflarden in mijn hoofd
en erkent de herinnering
die mij overschoot


de vertroebelde nachtwind die
mijn werkelijkheid beroofd

mij dan slechts de morgens laat
waar je niet in mij gelooft.

Incompleet

"Laat me het zien", fluisterde ze. Haar ogen zo dichtbij. Helderblauwe ogen, daglicht. "Wat?" fluisterde ik terug, het antwoord al lezend in haar wang die zich zachtjes tegen de schoot van mijn zomerjurk nestelde. "Alles. Alles wat je haar vertellen wilde".

Ik kon niet nalaten te glimlachen, al had ik mezelf nog zo geboden mijn gezicht te laten staan in de positie van mijn tranenmasker. De tijden van geven waren voorgoed voorbij. En toch glimlachte ik, ik glimlachte en liet haar hoofd daar liggen. De ogen naar me opgeheven. Ogen die het zonlicht weerspiegelden.

Ik wees naar de zee, die zich af en aan rolde, verspreidde, weer samen kwam. De zee van miljarden delen die toch samen één waren. Ik wees naar het kind dat zijn luchtkastelen bouwde. Dat bij elke instorting opnieuw dapper de grachten groef, een heldere lach naar de wereld deed schallen. En ik wees naar de vrouw die te dik was voor haar bikini en te onzeker voor deze mooie dag. Misschien had zij ook een stuk van haar hart verloren en leefde ze op het randje van de dood. Maar ze was er, ze durfde er te zijn.

Er was een leven daar dat we allen kenden en toch zelden bekeken. Een leven dat nooit op een morgen op zou staan en zeggen voorgoed te gaan en alles met zich mee te nemen, maar één die gestaag vloeide over een eindeloze tijd. En dat had ik willen laten zien. Samen met de glimlach die school in het korte roze rokje dat voor ons langs stoof. Het geluk dat zich kon verbergen in het gedeelde ijsje van onze naaste buren. Dit was onze wereld, die van spelende kinderen en zomerdromen. Dit was de wereld die ik haar had willen geven.

Inplaats daarvan gaf ik haar de nacht. Nu zat mijn bed vol van haar adem en bleef ik haar waspoeder zoeken in mijn kleding. Leefde ik voor een verleden dat misschien slechts een droom was geweest. En konden de veertien maanden zoeken haar leegte niet vullen. Er was niemand die mijn hart kon lijmen zonder het missende stuk.

"Zeg me" fluisterde ze. "Zeg me wat je haar zeggen zou. Vertel me waar ze huist in je hoofd, wat ze draagt vandaag, met welke kleuren ze je gemoed schildert." Afwezig legde ik mijn hand op haar haren, draaide de krullen die er niet waren. Hoe kon ik haar vertellen dat er geen plaats was voor haar? Ze hief haar hoofd van mijn schoot, schoof dichterbij en legde haar lippen tegen mijn hals. Als geliefden. En ik duwde haar niet weg. De geur van haar haar bereikte mijn neus en ik herinnerde mij niets. Haar handen vonden mijn huid en ze maakten mijn verlies niet wakker.

Maar het was slechts zomer, dacht ik, toen ik me naast haar uitstrekte. En ik zag de herinnering wegschieten uit de hoeken van mijn ogen. Ze was slechts de zomer. Met de helderblauwe ogen die nu soezend naar me keken vanuit een cocon van armen en haren. "je wou dat ik haar was" zei ze. Ik knikte. "Misschien...is dit het dan" vervolgde ze. "Misschien moet ik je wereld vergeten" en ze keek naar de kalm op en neer wandelende zee.

"En misschien ook niet". Toen ze opstond herkende ik haar wanhopige gedachte. En ik rende haar achterna, de pier op, als meeuwen in de wind. De rand af tot waar de wereld zinkt. Sleurde haar aan haar haren als zeewier het strand weer op. En schonk haar dat deel van mijn hart dat nog over was, om zich te warmen in de lange jaren die komen gingen.

Ik dacht dat ik niet kon leven met een incompleet hart. maar voor haar is het altijd voldoende gebleven.

Discourse

blanco pagina's staren mij aan
de één na de ander verheffen zij zich
tot mijn pen woedend de maagdelijkheid vermoord
in krullende slordigheid de eenzaamheid verwoord
opstijgend uit de witte leegte

al vóór het schrijven verdrijven zij zich
letters van mijn ongefundeerd gedacht
draaien boven de tekst hun verhaal
los van de schrijver bezitten zij taal
zonder tijd in een kaderloze wereld

nu zullen zij altijd betekenis zijn
zinnen achter een naamloos gezicht
blijvend aan de bladeren klevend
vormen zij eeuwig mijn schreeuw tot gedicht
de hand die hen schept al vergetend

want eenmaal geschreven
behoren zij slechts
toe aan de grillige lezer.

(geen titel) Het mag niet...

Het mag niet. Je fluistert met je blauwe ogen
van daglicht, zoveel dat het nu al zomer moet zijn
en ik negeer je, je haren strelend met mijn handen

Een onbegrijpelijk ritueel. Liever gebruikte ik mijn mond
met eenzelfde onschuld, om je nek te kriebelen,
en stiekem te blazen waar je oor zich bevindt.

Maar er blijft mij slechts een stille wens, verborgen
tussen overbeladen schappen uit het verleden,

Te mogen sterven als de woorden op je lippen.

Vervluchtig

Zondagmiddag, het strand dat zich als een grijs gerimpeld vrouwtje voor me uitstrekt, de zee op de achtergrond. Morgenlicht bestrijkt door dikke witte wolken het water, dat kil teruggrauwt. Dan holt een bruine labrador de golven in, klein spoor van kleur in de koude vlakte, haast onopgemerkt. Een vrouw roept hem. Haar haar waait in haar gezicht. Korte strengen bijna zwart haar in een grijze herfststorm. Ze kruipt nog wat dieper haar knielange jas in en loopt door, een hand in haar zak om warm te blijven, in de andere een aansteker. Een sigaret wordt opgestoken, er verschijnt puntje rood in de mistige lucht. Wanneer ze mij ziet schrikt ze op en vernauwen haar ogen. Turkooisblauw verhalen ze van een andere zee op een andere dag. Als ze me heeft geclassificeerd als ongevaarlijk openen de ogen zich als bloemen naar de morgenzon. Ze zwaait met haar sigaret een groet in de lucht, het rood tekent een 'e' zomaar in mijn richting. Dan loopt ze door. Ik volg haar.


Naar een café. Om de mist uit haar jas te krijgen, zegt ze. Zij drinkt koffie, ik drink haar, de blauwe ogen die mij beter wakker houden dan cafeïne had gekund. De bruine labrador ligt op mijn voeten zodat ik geen kant meer op wil. En als zij naar haar huis vertrekt volg ik haar weer. Ik pas niet bij haar. Ze lijkt te veel op mij, ze wil zoveel van mij. Ik zal haar nooit kunnen loslaten.


Twee jaar later. Herfstgloed kleurt de hemel oranje, gerafelde wolken tonen hun reliëf in het licht. Het strand is goud, de zee is verstild. We herdenken de dag van onze eerste ontmoeting niet meer met de kalme passie die onze eerdere dagen doordrong. Ze kijkt naar me als naar een vreemde, vernauwt haar ogen. Als ze me geclassificeerd heeft als gevaarlijk knijpt ze ze dicht. Met haar sigaret wuift ze me een laatste groet toe voordat ze wegloopt met haar labrador. Een snelle streep van de rode sigaret door de lucht die al verzadigd is van deze kleur. Ik laat haar gaan, want ik zie ze hier niet meer, de kleuren die ze me gaf. Thuis herinner ik tegen wil en dank. Hoeveel nachten er ook voorbij gaan, de slaap wint het niet van haar blauwe ogen.


Hallucinerend van de vermoeidheid beland ik weer op onze plek. Een vrouw met korte zwarte haren strompelt door een ijzige regen. Haar bruine labrador holt mee. Ze kruipt diep haar jas in en loopt langs me heen, een hand in haar zak om droog te houden, in de andere een aansteker. Ze probeert haar sigaret op te steken maar haar vuur waait uit. Ze ziet me niet, als ze steeds opnieuw met de aansteker knipt. Ik volg haar.


Ik volg haar overal. Van Scheveningen naar Den Haag, van haar huis naar de bibliotheek, van haar school naar de tandarts. Ik ben maar twee stappen achter haar, altijd maar twee passen verwijderd. En ik begrijp haar. 's Nachts weeg ik haar zwarte haren in mijn handen, zie hoe haar lippen zich tuiten. Een totale overgave. 's Ochtends borstel ik dezelfde haren, elk haartje langzaam, begripvol, tijdloos, omdat zij slechts een paar seconden de tijd ervoor neemt voordat ze rent naar de bus. Ik ruik haar babygeur in haar warme hals, de veilige geur van een beschermelinge. Al bouwt ze zo hard aan haar masker, mij kan ze nooit bedriegen. Ik gooi haar voor alle leeuwen en wieg haar dan in slaap. Sterk wezen, kwetsbare schoonheid. Zacht, lief, begrijpend, knikkend, wachtend, bang, onhebbelijk rustig. Soms zou ik haar willen verlaten, of kapotscheuren om wie ze is. Meestal wil ik slechts zijn waar ik ben. Met mijn geest in haar armen.

Mijn lichaam ergens in de Noordzee.

Onvangbaar

Ik zoek je, onbekende,
ongebonden X
niet te combineren
in rekenkundige geschillen
schitter je in eenvoud,
ongrijpbare parameter.

zo functieloos onthoudt je ons
vergroting van immensiteit
reductie van wetendheid,
of misschien de taal der stof
van omvattende, ontledende
heelariteit der disciplines

ik weet dat je er bent
met ogen buiten mijn zichtsveld
in een ondenkbaar DNA
gniffel je zachtjes en
onvangbaar,
want ontoetsbaar.


maar in al deze wetensloze woorden
kan ik je zwijgen horen.